Is er een norm die aangeeft hoe de spanningsvoerende kabels in een kast moeten worden aangesloten?
Naast de functionele nummering zijn er aanvullende normatieve richtlijnen die bepalend zijn voor hoe bedrading in een schakelkast wordt uitgevoerd. Een van de belangrijkste normen op dit gebied is de NEN-EN-IEC 60204-1, de internationale standaard voor de elektrische uitrusting van machines. Deze norm schrijft voor dat de bedrading niet alleen logisch en overzichtelijk moet zijn, maar ook dat er sprake moet zijn van een eenduidige kleurencodering en identificatie van aders.
Volgens deze norm moeten actieve geleiders (fasedraden) in worden onderscheiden van de nulleider (blauw) en de beschermingsleiding (groen-geel). Het consequent hanteren van deze kleurvoorschriften, in combinatie met het gebruik van adercodeerringen die overeenkomen met de nummers in het elektrisch schema, is essentieel voor het voldoen aan de eisen van "goed vakmanschap" en traceerbaarheid bij inspecties.
Verder is de fysieke ordening van de kabels binnen de kast onderworpen aan regels met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit (EMC) en thermisch beheer. Het is een gangbare praktijk om vermogensstroomkringen en stuurstroomkringen strikt van elkaar te scheiden om inductieve koppeling en storingen in gevoelige elektronica te voorkomen. Dit betekent dat dikke voedingskabels bij voorkeur in afzonderlijke kabelgoten worden gelegd ten opzichte van dunne signaalkabels.
Daarnaast schrijft de norm voor dat de bedrading zodanig moet worden aangebracht dat deze geen mechanische spanning op de klemmen uitoefent en dat de warmteafvoer van componenten niet wordt belemmerd door een overmatige "spaghetti" aan draden. Door deze fysieke structuur aan te houden, vergroot je niet alleen de levensduur van de componenten, maar creëer je ook een veilige werkomgeving die voldoet aan zowel de geldende veiligheidsnormen als de best practices in de elektrotechnische sector.
Aansluiting op relais en componenten
Voor componenten zoals relais, magneetschakelaars en automaten is het een wijdverbreide en sterk aanbevolen conventie om de binnenkomende spanningvoerende (fase) draad op de oneven klemmen (1, 3, 5, etc.) aan te sluiten en de uitgaande (geschakelde) draad naar de verbruiker op de even klemmen (2, 4, 6, etc.).
Waarom deze conventie?
Veiligheid: Bij het zoeken naar storingen weet een monteur direct waar de spanning vandaan komt en waar deze naartoe gaat. De “koude” kant (de even nummers) is in principe spanningsloos als het relais niet is bekrachtigd, wat het risico op schokken vermindert.
Logica en overzicht: Het zorgt voor een logische en voorspelbare opbouw van de schakeling. De stroom vloeit als het ware van een oneven naar een even nummer. Dit maakt schema’s makkelijker te lezen en de bedrading in de kast eenvoudiger te volgen.
Efficiëntie: Het versnelt het installatie- en onderhoudsproces aanzienlijk, omdat er minder gezocht en gemeten hoeft te worden.
Hoewel deze specifieke nummering (oneven/even) niet altijd als een harde eis is vastgelegd voor elk afzonderlijk component, wordt het wel voorgeschreven door de fabrikant van het component en is het een fundamenteel onderdeel van “goed vakmanschap”, wat wél een eis is vanuit de norm.